Wat is werk nog waard?

Een IT-dienstverlener vertelde mij onlangs dat hun gebruikelijke team per opdracht was teruggebracht van een consultant met acht programmeurs naar een consultant met één programmeur. Waarbij ik dan zelf mocht invullen dat die andere zeven programmeurs waren vervangen door AI. Het FD schrijft over dienstverleners op de Zuid-As die hun personeelsbeleid heroverwegen. Waarbij jij als lezer dan zelf mag invullen dat er vooral minder jongeren worden aangenomen, omdat hun taken worden geautomatiseerd. Big Tech schrapt ondertussen duizenden banen terwijl het honderden miljarden richting AI verschuift. 

Zo ziet het er dan voor de toekomstige arbeider niet per se rooskleurig uit.

Het schaakspel is meer dan duizend jaar oud, en dertig jaar geleden werden machines er beter in dan wij. In de jaren 80 waren de meeste schaakcomputers al veel beter dan de gemiddelde lezer, en aan het begin van deze eeuw waren er nog wel een handvol specialisten die zich staande konden houden tegen computers. Maar 1997: Deep Blue versloeg Kasparov. Dat is zo concreet als we het kunnen maken.

En? Is schaak nu een bezigheid die we overlaten aan machines? 

In 1996 telde de wereld zo’n 600 grootmeesters en in 2026 zijn dat er ongeveer drie keer zoveel. Per dag worden er tussen de tien en twintig miljoen potjes op Chess.com gespeeld. De allerbeste menselijke spelers bestuderen schaakcomputers om zelf nog beter te worden. En duizenden mensen verdienen hun boterham aan het maken van content – schaakstunts, schaakanekdotes, schaakverslaggeving, etc. 

In 2016 zei de latere Nobelprijswinnaar Geoffrey Hinton dat we misschien maar moesten stoppen met het opleiden van radiologen. In vijf jaar tijd zou er immers geen vraag meer zijn naar mensen die röntgenfoto’s zouden kunnen beoordelen. In de jaren 2010 gebeurde met beeldherkenning ongeveer hetzelfde wat er in de jaren 2020 gebeurt met tekst. In 2025 haalde de New York Times die uitspraak nog eens aan, in een stuk waarin ze stelden dat de vraag naar radiologen nog altijd groot was en verder toe zou nemen tot 2055.

Radiologie en schaak zijn beide relatief vroeg getroffen door AI, en beide zijn nog springlevend. Straatlantaarnaanstekers bestaan niet meer. Liftbediendes, pompbediendes: weg. Kodak, misschien het bekendste slachtoffer van de iPhone, bestaat nog: anders, kleiner, maar het is er nog altijd. McDonald’s werkt al meer dan tien jaar op grote schaal met bestelzuilen; volgens het U.S. Bureau of Labor Statistics werkten er in januari 2026 iets meer dan 12 miljoen Amerikanen in de fastfoodindustrie, tegen iets minder dan 9 miljoen begin 2005.

En dan komen we nu  ongeveer op het punt waar een boek zou beginnen over de paradox van Jevons: dat automatisering mensen niet uit hun beroep verdringt, maar hun werk productiever maakt, waardoor de vraag uiteindelijk juist toeneemt. Niet noodzakelijk onwaar. Maar misschien wel wat globaal. 

In het Westen was de inflatie de afgelopen 20 jaar ongeveer tussen de twee en drie procent. Dat ene procentpunt daartussen kan een wereld van verschil maken als je vermogensmanager bent.  Maar wat je meemaakte als je erin stond de afgelopen 20 jaar, was dat je boodschappen twee keer zo duur werden en je huis drie keer zo duur. Tegelijkertijd werd een nieuwe televisie de helft goedkoper. Grote bewegingen bepalen uiteindelijk de richting van de geschiedenis, maar je zou maar in 2005 een televisie hebben gekocht en een huis hebben gehuurd. One size fits none. En misschien is dat met arbeid en automatisering ook wel zo.

Sport is geen geneeskunde en één enkele macro-economische theorie beschrijft misschien de grote beweging aardig. En voor ons zou het een ontsnappingsluik zijn: schaken, radiologie en [ander voorbeeld] laten allemaal hetzelfde patroon zien. Dat patroon wordt verklaard door de paradox van Jevons. Einde hoofdstuk. Next. 

Dat is prettig – als je gerustgesteld wilde worden. Maar straks koop je die spreekwoordelijke televisie en huur je dat denkbeeldige huis, terwijl je dat, metaforisch, andersom had moeten doen. Daarom gaan wij iets langer stil staan. Iets meer gevallen naast elkaar bekijken, en ons oordeel iets meer uitstellen – en wie weet halen we daar ook wat uit.

Méns, waar betalen we je eigenlijk voor?

Een boer uit de late middeleeuwen zou waarschijnlijk weinig hebben gehad aan een communicatiebureau. Het overgrote deel van de bevolking werkte in de landbouw; communicatiebureaus bestonden niet.

Een AI-ondersteunde radioloog kan inderdaad sneller en beter een beeld beoordelen, en toch zijn er meer nodig. De Mayo Clinic – uit dat artikel van de New York Times – nam in de tien jaar na Hintons voorspelling 55% meer radiologen aan. 

Hier zou je nu kunnen zeggen: Scans werden goedkoper en daarom wilden we ze vaker maken – puur Jevons. Maar dat artikel suggereert iets anders: Terwijl een computerprogramma de beelden bekijkt en markeert, gaat de radioloog dan zijn of haar aandacht verleggen naar andere taken. Formeler: Artsen die geholpen werden door automatisering hielden meer tijd over voor activiteiten met meer toegevoegde waarde. Wat leidt tot meer economische waarde per gewerkt uur. 

En wat voor taken doen radiologen dan als ze geen beelden aan het beoordelen zijn? Dan moet je – volgens het artikel – denken aan: andere dokters adviseren, praten met patiënten, rapporten schrijven en verbanden leggen met andere signalen. Bijvoorbeeld uit de rapporten, en ook, bijvoorbeeld uit die gesprekken. Korter: De arts houdt meer tijd over en gaat vervolgens andere nuttige dingen doen, zoals contact houden met collega’s en langer en aandachtiger praten met de patiënt. 

Aan het eind van de 20ste eeuw, eeuwen van productiviteitsgroei en een agrarische revolutie later, werkte misschien nog 5% van de bevolking in de landbouw. Nu aan het begin van de 21ste zijn er zelfs communicatiebureaus die zich exclusief op de agrarische sector richten. Arbeid werd overbodig gemaakt door technologie, die mensen hebben zich vervolgens gericht op iets waar eerder nog geen waarde in werd gezien – extra toegevoegde waarde – en daarna is er zelfs in de oorspronkelijke sectoren zelf nieuwe vraag ontstaan. 

In de schaakmarkt lijkt de groei vooral te zitten in de online infrastructuur (Lichess, chess.com, etc.) en contentcreatie. Levy Rozman – een creator – telde in 2026 meer dan 8 miljoen abonnees op zijn YouTube-kanaal met niets anders dan schaakcontent. Alexandra Botez, een andere schaakinfluencer, vertelde publiekelijk dat zij in 2021 al meer dan een ton verdiende aan haar content. 

Zowel bij het schaken als bij radiologie  verschuift de toegevoegde waarde weg naar het menselijke eromheen. Meer overleggen, meer luisteren, meer menselijk contact, meer grapjes – en minder tijd in het bekijken van de röntgenfoto of het bedenken van de volgende zet. Je zou hier kunnen opmerken dat dit makkelijkere taken lijken, maar bedenk dan ook dat er voor wordt betaald én dat wij als mens misschien gewoon goed zijn in die menselijker taken.  

Er zijn YouTube-kanalen voor zo’n beetje alles: natuurkundigen die zwarte gaten duidelijk uitleggen, natuurkundigen die zwarte gaten onmogelijk ingewikkeld uitleggen, interieurontwerpsters die je influencen met strak betegelde toiletjes, urenlange films met treinmachinisten aan het werk en gezichtsloze wiskundigen die je door de schoonheid van de mandelbrotverzameling heenlopen. 

En toch worden we niet allemaal influencers.

De schaakmarkt, inclusief content-creators, was misschien 3 tot 4 miljard dollar groot in 2025. Er zijn tientallen schaakinfluencers – lang niet altijd grootmeesters – met een publiek van meer dan honderdduizend kijkers. Een radioloog in een maatschap in Nederland verdient een paar ton per jaar, en in loondienst misschien twee.  Die hele markt is makkelijk honderd keer zo groot. Waar halen we, om maar ergens te beginnen, het advertentiebudget vandaan?

We gaan ook niet altijd overal meer over praten. Radiologen en artsen in het algemeen, doen veel gestructureerde patiëntgesprekken en intercollegiaal overleg, en daar zal misschien nog meer aandacht voor zijn. Tegelijkertijd hebben we straks een markt nodig die groot genoeg is om al die weggeautomatiseerde taken te vervangen. Ja, artsen kunnen langer met patiënten praten en vaker overleggen, maar uiteindelijk moet daar ook vraag naar zijn, én iemand moet bereid zijn daarvoor te betalen.

Een programmeur met een YouTube-kanaal heet een content-creator. Een programmeur die luistert naar zijn gebruikers heet zoiets als een requirement-engineer, of – als je ook nog terugpraat – businessconsultant.

Er zijn eetgelegenheden met bestelzuilen, er zijn lopende buffetten, er zijn bistro’s met bediening aan tafel en er zijn restaurants met een gérant, een kelner en een sommelier. Er zijn roddelbladen, receptiemedewerkers, TV-persoonlijkheden, gezelschapsdames en -heren, straatartiesten, maar ook relatiebeheerders en verkoopmedewerkers. Er is gewoon economische waarde in menselijke interactie, de kunst wordt om deze in de juiste mate toe te passen in de juiste markt. 

En wie betaalt de schade?

De eerste Boeing met een automatische piloot stamt al uit 1933. Moderne vliegtuigen kunnen technisch gezien zelfstandig vliegen en landen. En er is nog steeds vraag naar piloten. Waymo en Tesla zijn verwikkeld in een race naar volledig autonome auto’s. 

Magnus Carlsen heeft een kanaal waar hij plaatjes draait, biertjes drinkt, rare zetten uitprobeert en vervolgens mensen aan puinpoeier schaakt. Je accepteert dat een spits met zijn zwakke been zijn derde doelpunt van de wedstrijd maakt – in de context van een publieksport is het toegevoegde waarde. Tegelijkertijd zou je het waarschijnlijk niet accepteren dat een hartchirurg jouw bypass lefty doet – gewoon om de boel interessant te houden. 

Het lijkt er nu op dat we autonome taxi’s gaan accepteren, wellicht naast de bemande taxi zoals McDonalds en bistro’s naast elkaar bestaan, of wellicht als een enorme verplaatsing van honderden miljoenen beroepschauffeurs. Ondertussen accepteren we autonome Boeings niet of nauwelijks.  

Taxichauffeurs maken weleens een praatje, en piloten doen dat zeer zelden. Als je een noodlanding doet op de Hudson dan maken we een film over je. Als Turkish Airlines neerstort in de Haarlemmermeer dan gaat de journalistieke discussie erover of de autoritaire culturele houding bij Turkse piloten het interpreteren van de boordcomputer in de weg zat.  Deze toegevoegde waarde gaat over eindverantwoordelijkheid, menselijke eindverantwoordelijkheid. IBM schreef in 1979 al dat een computer nooit ergens verantwoordelijk voor gehouden kan worden, en daarom nooit een managementbeslissing zou mogen nemen. 

Verantwoordelijkheid is een economisch gegeven; het klassieke Mesopotamië kende al verzekeraars. Verantwoordelijkheid nemen kan een onderdeel zijn van arbeid: we betalen graag een beetje extra voor een vliegtuig met twee piloten, en ik denk dat genoeg mensen al willen bijbetalen voor een slager die simpelweg voor zijn product instaat.

Maar verantwoordelijkheid is geen simpel knopje dat je aan of uit kan zetten op arbeid. Software wordt geprogrammeerd door een programmeur, en ontworpen door een architect, maar tijdens de implementatie worden ook keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan software een kattenfilmpje bezorgen bij een bejaarde vrouw in Manilla of een module koppelen aan het ISS een paar honderd kilometer boven de Indische Oceaan.

Nederland is bijna tien jaar bezig met de nog altijd lopende toeslagenaffaire. Er was niet één computersysteem dat redelijk autonoom schade veroorzaakte bij tienduizenden ouders. Er was een complex van mensen, risicomodellen en computersystemen dat onder andere onterecht ouders selecteerde als ouders met een verhoogd risico op fraude. Dat heeft ertoe geleid dat ouders in jarenlange diepe ellende kwamen, kinderen uit huis werden geplaatst, kabinetten vielen, en dat de Belastingdienst miljarden moest uitgeven om de schade te herstellen. Menno Snel is afgetreden, er is geprobeerd ambtenaren strafrechtelijk te vervolgen, en we hebben gewezen naar het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit als oneigenlijk criterium. Wat we niet hebben gedaan is één iemand met pek en veren door de straten dragen. 

We hebben in Nederland bescherming van aansprakelijkheid van werknemers bij het uitvoeren van hun vak. Door de oogharen gezien, zou je kunnen zeggen dat zij verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun taak maar niet altijd direct voor de besluitvorming. Het is in de professionele dienstverlening gebruikelijk verantwoordelijkheid te nemen voor de onderbouwing van advies, maar niet voor de uitwerking. Verantwoordelijkheid is met andere woorden een onderwerp met meerdere aspecten en meerdere intensiteiten. Dat houdt dan wat mij betreft weer in dat het onderwerp op meerdere manieren terug kan komen in arbeid. 

Een curator staat er in zekere mate voor dat werken in haar collectie van een zekere kwaliteit zijn. In een andere mate doet de betere groenteboer niet veel anders. De taxichauffeur is verantwoordelijk voor het zorgvuldig uitvoeren van zijn rit, maar draagt als werknemer niet automatisch persoonlijk de schade als hij tijdens zijn werk een fout maakt.

Wie een beslissing uitvoert, hoeft hem niet te hebben genomen. En wie de beslissing heeft genomen, kan zich hebben laten adviseren. En dan nog steeds kan het zijn dat de eigenaar van de uitkomst iemand anders is. Sterker nog: het verdelen, verleggen en soms zelfs verhandelen van verantwoordelijkheid is bijna zo oud als de geschiedenis zelf. Tegelijkertijd blijft er op het menselijke niveau de vraag: wie helpt me hiermee, wie gaat hier over en wie bel ik hiervoor?

Automatisering maakt die vraag nog belangrijker. Een patser kan in een oogwenk bergen graan meerdere keren verhandelen, één analist kan miljoenen facebookposts categoriseren en één ambtenaar kan tienduizenden toeslagenverzoeken beoordelen. Maar waar ga je heen als je verhaal wil halen? Misschien is dat een tweede plek om naar menselijke waarde te zoeken: niet alleen in wat we dóén, maar ook in wie daar voor gaat staan.

Makkelijker gezegd dan gedaan…

Redelijk kunnen schaken is het teken van een goede opvoeding. Goed kunnen schaken is het teken van een verspild leven. Kasparov won zijn eerste wedstrijd tegen Deep Blue in 1996. Hij verloor pas in de rematch een jaar later. Kasparov zat trouwens niet tegenover Deep Blue. Deep Blue ‘zat’ in een onderzoekscentrum een uurtje rijden van Manhattan, waar de match plaatsvond. 

Tegenover Kasparov zat ene Joe Hoane, een softwareingenieur waarvan we weten dat hij een substantieel deel van zijn leven heeft besteed aan schaakcomputers – en verder relatief weinig. Joe verzette de houten stukken op het houten bord, volgens de instructie die hij via een terminal van Deep Blue kreeg. Vandaag de dag zou je zo iemand een ‘meat proxy’ noemen – vleesgeworden doorgeefluik. Het is een meme, een term die suggereert dat zo iemand niets interessanters doet dan simpelweg instructies doorvoeren in de echte wereld. Alsof je dan, als mens, alleen nog maar een plaatsvervanger van de handjes van een computer bent. Handjes die we nog niet gemaakt hebben, want te triviaal. 

Tegelijkertijd kan een computer een aardig gedicht schrijven, maar komt een robot nog niet in de buurt van het vervangen van de batterijen in een speelgoedbeer. Dit zou je een gevoel kunnen geven dat we die handjes straks ook nog wel even in elkaar flansen. Maar tegelijkertijd zijn er heel wat ingenieurs die nu al wakker liggen van de gedachte zo’n batterijen-inspeelgoedbeer-probleem te moeten oplossen. Het is moeilijk, wil ik maar zeggen. 

Dit soort echte-wereld-problemen zijn een klassiek voorbeeld van de valkuil ‘computers kunnen iets dat ik moeilijk vind, dus ze kunnen ze ook dingen die ik veel makkelijker vind’; een halve eeuw geleden kon een zakcomputer beter machtsverheffen dan jij, dus laten we de rechtspraak nu ook maar automatiseren, zoiets. Klassiek.

Maar natuurlijk zijn mensen goed in fysieke dingen; mensen zijn gevormd in de fysieke wereld. Net zo goed zijn computers goed in systematische redenaties, want computers zijn gemaakt om dat te doen. 

“Loodgieters zijn veilig, want computers hebben geen handen.” Ik zou willen dat we het tot zoiets simpels konden terugbrengen. Of, als je liever iets optimistischer naar de effecten van automatisering kijkt: “Kappers doen al duizenden jaren min of meer hetzelfde, maar worden dus ook nauwelijks productiever.”

Maar er is ook nog zoiets als samenspel. Joe Hoane, ons spreekwoordelijke doorgeefluik, was niet zomaar van de straat geplukt. Hij was een van de geestelijk vaders van Deep Blue. Hij heeft jaren van zijn leven eraan besteed om iets in de fysieke wereld zo vorm te geven dat het in de systematische wereld van de computer paste. Het is bijna poëzie dat hij dan op het moment suprême de handen van zijn kindje was. 

Toen we daarnet naar Deep Blue keken leek het alsof het denken was gedelegeerd naar de computer en de uitvoer was uitbesteed aan de mens. Maar als je daar nòg een keer over nadenkt, dan is dat te kort door de bocht: hoe komt die logica überhaupt in die computer? 

Ik zou hier kunnen suggereren dat een deel van de arbeid van de toekomst het vertalen tussen computer en echte wereld gaat zijn. En jij zou dan kunnen zeggen dat dat heel tijdelijk gaat zijn – wat deels waar zou kunnen zijn. Jij zou kunnen zeggen dat veel van de recente ontwikkelingen in AI juist gaan over het zelf leren van representaties: embeddings, betekenis. Technisch, maar waar.

En, zou ik dan tegenwerpen en aanvullen, al die ontwikkelingen leunen op het encoderen van waarnemingen – het in stukjes breken van waarnemingen op een manier die wij altijd nog ontwerpen – met een inductieve bias van ons. Filosofisch, en ook waar. 

En te laat in die discussie zullen we dan zeggen: dit is meer technisch-filosofisch dan we hadden ingestoken en dan pas zullen we weer terugkeren naar de meer praktische en realistische hoofdmoot: wij bouwen en gebruiken de technologie in onze wereld. 

Er is nog een andere même die je hier in kan slepen– altijd nodig na een theoretische discussie. Het is een plaatje met een man achter een bureau op de savanne. Voor hem zitten dieren op een rij: Een kraai, een aap, een pinguïn een olifant, een goudvis in een kom, een zeehond en prairiewolf. De man heeft zijn handen gevouwen en in de tekstwolk boven zijn hoofd zegt hij: “welnu, voor een eerlijk verloop van het proces krijgen jullie hetzelfde examen: klimt u allemaal in de boom daarachter u.”

Het is iedereen duidelijk dat de aap in het voordeel is. Terwijl we allemaal kunnen zien dat het de olifant bijvoorbeeld het betere lastdier zou zijn. Ondertussen is de vis zich waarschijnlijk aan het vergapen aan de savanne, en zich maar nauwelijks bewust van het water en de kom. Voor sommigen is dit misschien commentaar op het onderwijs. Er is niet zoiets als één intelligentie, denk ik er dan weer bij. Intelligentie wordt gevormd door de omgeving. En wat voor de een triviaal is, is voor de ander een kunst. 

Er zal waarschijnlijk een tijdlang brood zitten in het simpelweg doorgeven van wat de computer gedaan heeft. Het vleesgeworden doorgeefluik. Het verzetten van de houten stukken op het houten bord. Toegevoegde waarde als uitvoer aan de randen van de digitale wereld. Die randen zijn rommelig, en het zou best kunnen zijn dat het heel lang duurt voordat een robot een kantoor kan opruimen, maar het is lastig om daar een tijdlijn op te plakken. 

Maar van iets verder weg gekeken is de wereld niet alleen fysiek, ze is ook ingericht en bewoond door mensen. En zoals we net in onze denkbeeldige discussie bespraken, wordt de automatisering ook gevormd door onze interactie er mee. Wij zijn als het ware de omgeving van de intelligentie van de computer. Alleen al daarom zou er weleens langer brood kunnen zitten in mensen aan de randen van het digitale dan we nu denken.

Stack Overflow is een forum waar programmeurs problemen en oplossingen delen. ChatGPT heeft de website natuurlijk helemaal leeggedronken voor haar trainingsprogramma; na de lancering kelderde het bezoek. Programmeurs en AI lagen sowieso al een vingerbreedte uit elkaar.

Aan de andere kant zijn programmeurs juist ook weer de mensen die AI het meest gebruiken in hun werk. Anders maar toch ook weer vergelijkbaar met grootmeesters die eindspelen bestuderen met schaakcomputers. De vraag die wij ons óók moeten stellen is of ChatGPT er heel anders uit had gezien als ze ontworpen was door kappers. 

Oké, cowboy, de kudde bijeen.

De modellen die het best werken om het verleden te voorspellen, zijn vaak waardeloos zodra je ze op de toekomst loslaat. Het is hip om je voorspellingen Lindy te maken. Naar het Lindy-effect: hoe langer iets al bestaat, hoe waarschijnlijker het is dat het nog een tijd zal blijven bestaan. Ik zou dat niet te letterlijk nemen. De les die ik er breder uit trek is: hoe minder aannames je nodig hebt om iets over de toekomst te zeggen, hoe langer zo’n voorspelling waarschijnlijk bruikbaar blijft.

Er zijn genoeg dingen die wij nu kunnen en AI nauwelijks of nog helemaal niet kan. Sommige van die gebreken vallen je pas op als je er zelf intensief mee werkt. Het tellen van de r’en in strawberry, ogenschijnlijk simpele puzzeltjes over hoe je naar een wasserette moet lopen, smaak, onverwachte patronen, nieuwe ideeën. 

Maar laten we nog een keer advocaat van de duivel spelen. Technologische ontwikkelingen helpen vorderingen in andere technologische ontwikkelingen, en die versnelling versnelt op zichzelf, en er zou een punt komen dat technologie zichzelf helemaal zou kunnen vormgeven. The singularity.

Daar zijn we niet, en het is nog maar de vraag of we goed weten wanneer we daar dan wel zijn. Maar we nemen even aan dat we daar binnen afzienbare tijd komen. 

Dan nog is de economie niet strikt rationeel, het is de optelling van wat wíj waardevol vinden. Het is niet makkelijk om Hollywood strikt rationeel uit te leggen, het is niet makkelijk om uit te leggen waarom je wijn zou drinken uit een handgemaakt glas. 

Het is gevaarlijk om voorspellingen te doen. Maar je bent helemaal hier gekomen, ik heb je mee laten denken en zelfs laten terugpraten. Dus je hebt deze Lindy-voorspelling nog te goed: werk is hier al heel lang geweest. Het zal er nog wel even zijn.

Welke taken verdwijnen en welke beroepen groeien, weet ik niet. Dat is het hele punt. Maar als je toch zoekt naar plekken waar menselijke toegevoegde waarde hardnekkig kan blijken, zou ik beginnen bij drie heel oude dingen. Andere mensen. Ergens voor staan. En de werkelijkheid zelf.

Missing the Moon

It can be delightful to revel in hating things, and Bending Spoons seems purpose-built for the role. It’s Italian, not so bad. It has a lot of money, and that needle on our irritation meter starts twitching. Also, it’s a cynical machine that buys fading dreams, clips their wings, and poops out capitalist uniformity. 

Are you there yet?

Dicks. 

So what do dicks actually do?

Well, this week, they – the buy-and-not-so-much-build club – acquired Airtable. I still remember wanting to build an app on Airtable back in 2021, because it was so cool amongst the nerds. But I also remember the reorganizations starting the very next year. Looking back, the warning signs seem painfully obvious: funding round after funding round, endless free tiers, very few enterprise customers.

That’s the thing about warning signs. In hindsight, you convince yourself you saw them all along.

Before Airtable, the Italian outfit acquired a whole series of apps that were, for about fifteen minutes, the coolest thing on Earth: Vimeo, WeTransfer, Meetup, Eventbrite, Evernote. For a certain kind of trendy tech nerd, that acquisition list is a complete trip down memory lane.

If you follow tech nerds on Twitter, you don’t even need to keep an eye on the mergers market. You’ll hear all about it, the moment their favorite product gets clipped and groomed. First, it stops being cool and the founder disappears. Then the price goes up. Finally, all forms of support vanish.

Do you have white knuckles from clenching your fists yet?

Good. 

Anyway.

Around 2010, for about five minutes, I was one of those coolest-app-in-the-world things too.Well, maybe two steps below that: National TV, national newspapers, events, viral launches, smoking servers, trips around the world. But mostly in the Netherlands. Mostly among boomers, too. (<3 Dutch boomers.)

It was a moonshot. We would become the new way people connected with their communities.

And we, or rather I, failed.

There are many reasons why it never became the next Facebook. I’ve written about some of them before. And one of them is liquidity – in Europe. Plenty has already been written about that, including by people who write better than I do.

Once you’ve given up on your dream, once you’ve fought yourself tired because you wandered two or three streets too far, you still have to figure out what to do with the wreckage.

Who is taking the controls and pointing that nose back toward the sky, so to speak?

Who ís buying that mess off your hands?

Because that is liquidity, too.

In a moonshot, everything is about the vision. You spend money for the plan. You put in the miles for the idea. You lose sleep over the dream.

Do you know what you don’t do?

What, to a certain extent, you shouldn’t do?

Be realistic. Reality is on the backlog.

You don’t line up expenses against revenue. You don’t worry too much about career paths and work-life balance. You don’t clean out cupboards or tie shoelaces. And you don’t spend your days asking whether your customers are getting more than they’re paying for.

That is work for dicks.

Man, I wish I’d had a non-dreaming dick around once it was time to brace for impact – missing the moon and all.

Not because that’s the real work.

But because it has to be done – just like the other work.

Just like vitamins. Cod liver oil. And dentists.

No, YOU are the product

Remember when we were horrified at ”Das Leben der Anderen” and then all installed an Alexa at our home? Yeah…

Phelim Kine, a China Watcher with Politico, just published a piece on how transcription app started asking questions about a conversation he had with an Uyghur that fled a surveillance state. Out of the frying pan…

Well, don’t take my word how bad of a practice that is, I have a vested interest in the competition. What you can take my word for is how complicated it is to design a product with privacy embedded to it.

First of all modern A.I. -products are driven by data, and lots of those, especially computer vision and natural language tasks typically revel in data. Just borrowing that from your customer is eh, well eh, very eh, convenient. *insert it’s free real estate meme*

Not having your data automatically means that you’ll have to buy rent a proprietary model. If you want your service to be any good, that is. It also means that you can’t sell that data to other A.I. companies, or put it on balance sheet and pitch it to V.C.’s.

Other types of data, such as your behavior and identity (Plain old profiling, I don’t think that your profile is being harvested from audio, even though the rumors are plenty), are even more liquid and can be sold via ad networks.

For stenos we have implemented a quaint old business model that asks money from the user in exchange for value. All jokes aside: That has become a hard sell.

Another vulnerability for the well meaning startup is the cloud based data storage. Not storing any data of users is a pretty good way of avoiding leaking it. I know first hand that keeping user data is quite a responsibility, and peace of mind is a great thing. However, not having the data is also a hurdle, for instance when offering backups for your clients, or syncing that data between devices.

A third piece of this puzzle is the customer interaction. This dawned quite lately to me in this particular venture, even though this is not my first rodeo. Not having any customer data means not being able to e-mail your customers with reminders or questions, which can be vital to your learning curve and retention metrics.

To me personally it has been something of a hobby to minimize data requirements. I have been involved in quite a few projects involving data protection at RWS (the Dutch Directorate-General for Public Works and Water Management). Most of these projects involved existing systems. Designing a system bottom up was very liberating for once. Most startups however will have to tackle these challenges an other way, as long as we don’t change the rules to game.

Bad business models are bad for you (and your data)

Information is a resource, and only one that increases when used. We are all familiar with the value of big data by now, and where institutions and governments are playing catch-up with Big Tech *insert current litigation against Big Tech*, it seems that grip on your personal information is still in its early days.

Between your smart watch, your search history, that note-taking app, and loads more,  the data on you is super rich. But you are not in control: the data is fragmented and the market incentives are against you. But what if they weren’t? How about that second brain that would remember every detail of where you were and what you discussed? Or that assistent that would regulate your personal fitness? And I’m sure there are many, many more possibilities.

I have personally experienced the benefits a good digital log: A Friend of mine could show that he wasn’t at demonstration that ended in irregularities years ago (with the help of shared calendars and a Flickr-account) and I (and who hasn’t at this point) have turned business negotiations with the help of an unending gmail-history. But we all know this goes both ways and it isn’t exactly an equal playing field.

And of course there are alot of people that turn a NAS into a personal data vault, or that get to work on their own version of Evernote. Sometimes I even hear rumours of people harvesting data as a modern day curio cabinet. Have I heard about people that tarballed a data leak at the Dutch Tax Authority? Rumours perhaps, evidence no. But that is all hobbyism, that is definitely gonna be bulldozed by the Googles of this world.

Another way of the world that stuck to me is that money enables growth, and the incentives are aligned properly yet. Open-source and hobbyism are nice, but why can’t personal data management be a product. Even in Gmail it isn’t super easy to form a good overview of your information. Sure you can search, but even then you run into basic questions such as “What is a while ago?, “What words was I using?”, technical questions that Google (or anyone else) would blaze through if the incentives were lined up properly. Let alone questions such as: “What were my mind at in 2009?”

Last year I designed Stenos.io, an app that takes detailed notes for you. So you can remember everything, without frantically taking notes. I based the data design on ideas from Moxie Marlinspike. Having no data to begin with is a good way to improve your security posture. But I was also inspired by the guys behind Hey, a Gmail competitor. We have a weird proposition: We give you value, you give us money. No personal data, no spying and no ads, just money. And I’m very curious if the app is gonna help people get in control of their data, even though I’m well aware that recording conversations feels complicated.

One thing that I learned in this venture is that it is very hard to dodge the Apples, AWS’ses and Microsoft’s Azures of this world when building a scalable app that can compete. And they will immediately tap into your revenue, even though they just might launch a competitor to your service for free. Google Meet subtitles for instance. Please checkout “the Billion Dollar Code” on Netflix, to get a feel for how that economy works.

Notes:

Het verdienmodel van democratie

Startups zijn hot. Er is veel aandacht voor startups in de media maar ook bij investeerders. Dat betekent dat er geld is om dingen uit te proberen, de status quo uit te dagen en, bij succes, het domein waarin je opereert blijvend te veranderen.  Maar welke terreinen veranderen er nu snel en klopt dat wel met wat wij belangrijk vinden?

Democratie is hartstikke belangrijk, maar civic technology (of participatie-apps in het Nederlands :)) blijft een lastig onderwerp: Het aantal initiatieven is op twee handen gauw geteld en mijloeneninvesteringen blijven vooralsnog uit. Met een beetje geluk ken je als lezer Petities.nl, misschien nog mijn eigen Verbeterdebuurt.nl en heb je nog eens gehoord van het Britse MySociety.org , maar dan heb je de belangrijkste initiatieven in het domein zo’n beetje wel weer gehad. En ook zij komen nog niet om in het investeringskapitaal.

Startups kun je eigenlijk zien als hyper geconcentreerde innovatiebedrijven, aangedreven met kapitaal dat speculeert op een verandering van een bestaande markt. Omdat investeerders soms verwachten dat een startup een miljarden industrie kan omgooien, kan zo’n startup al heel snel veel geld ophalen.  Het gevolg is dat die domeinen waar veel geld in omgaan, ook vatbaar zijn voor veel innovatie.

Volgens de principes van de vrije markt stroomt innovatiekapitaal naar die plekken waar consumenten waarde aan toe dichten.  In theorie kan het sommetje dus mooi rond gemaakt worden. In praktijk blijkt echter dat sommige terreinen veel kapitaal aantrekken, zoals Mode en E-commerce, terwijl anderen achter blijven zoals Onderwijs en Voedsel, terwijl je moeilijk kan zeggen dat het eerste belangrijker is dan het laatste.

Investeerders zullen daarom altijd kijken naar het verdienmodel en potentiële markt. Daar begint voor democratie de schoen te knellen. Enerzijds is de betalingsbereidheid bij burgers niet hoog. Zelfs GeenPeil heeft tot op heden, ondanks de publiciteit, moeite om meer dan 15 cent per handtekening op te halen . Je zou je kunnen afvragen of het publiek moeite heeft te onderkennen wat belangrijk is.  Anderzijds wordt er wel degelijk heel veel betaald aan belasting, maar gaat dat allemaal naar de staat als monopolist. Dat is natuurlijk niet goed voor de markt: Als V&D een gedwongen winkelnering gekend zou hebben, dan had Bol.com niet bestaan. Maar het zou mensen ook wel eens betaalmoe kunnen maken. (Waarom betaalt de regering hier niet voor? ). Zelfs Wikipedia, misschien wel het toppunt van onze beschaving, heeft ongeveer evenveel budget per jaar, als L’Oreal per dag kan besteden.

Overheden de zeggenschap geven over hoe zij met de burger praten is niet altijd een goed idee. Dat contact zal altijd van binnen naar buiten ontworpen worden en zo creëer je een situatie waarin de slager zijn eigen vlees keurt. Ik heb de oprichter van OpenKvk wel eens horen zeggen dat hij graag het “right to challenge” zou gebruiken als het gaat om de budgetten van het KvK (Arjen Lubach legt uit waarom dat nodig is).  Ik heb zelf meegemaakt dat gemeenten liever veel geld besteden aan een app die niet werkt, dan aan te sluiten bij een landelijk initiatief, voor een fractie van de kosten. Het draait dan vaak om controle, terwijl die controle uiteindelijk bij de burger zou moeten liggen.

De markt wordt vaak genoemd als verlengde van democratie. Samen bepalen we wat iets waard is.  Maar andersom is dat nog niet gezegd. Je moet een beetje oppassen voor cynisme als voor de toekomst van winkelen miljarden geïnvesteerd kunnen worden maar dat we blijkbaar geen geld kunnen vinden voor hoe we samenleven. Democratie moet je niet alleen over laten aan de markt, maar kan een beetje speculatie voor groeiversnelling zorgen in dat domein dat nu nog te weinig aandacht krijg.

Hoe passen we de voorwaarden voor democratie zo aan, dat ook zij gebruik kan maken van het huidige innovatieklimaat? en hoe zetten we het belang hiervan op de agenda? Eventuele killer ideeën zijn welkom in de comments!

Lees ook eens (Ik ontvang trouwens ook graag leestips in de comments):

Flashmobpolitiek

De huidige parlementaire democratie is niet de toekomst van onze politiek. We gaan steeds vaker zien dat burgers zich zich kortstondig gaan verenigen rondom onderwerpen als een soort “politieke flashmobs”. Dit verdient een eigen betrokkenheidsgestuurde aanpak en de aandacht van de zittende politiek.

Steeds minder mensen zijn lid van politieke partijen en er zijn steeds meer zwevende kiezers. Dat is niet per se een teken van minder betrokkenheid. Het Sociaal Cultureel Planbureau meldt bijvoorbeeld dat het ledenaantal van politieke partijen daalt, maar dat dit niet in dezelfde mate geldt voor bijvoorbeeld sportbonden of fondsen die afhankelijk zijn van donateurs. En juist die bonden of fondsen die daarin succesvol zijn, melden, in dat rapport, dat dit komt doordat zij de interactie opzoeken met hun leden.  Sterker nog, Jacques Thomassen, Carolien van Ham en Rudy Andeweg, betogen dat het dalende aantal leden een teken van meer betrokkenheid zou kunnen zijn. Leden volgen immers partijen en zwevende kiezers kunnen misstappen onmiddellijk afstraffen.

Volgens mij past dit naadloos in een trend: Individualisering en daarmee samenhangend het vervlakken van hiërarchie, al dan niet geholpen door technologie. Individualisering werd in 1998 al door het SCP beschreven als de meest kernachtige karakterisering van de maatschappelijke dynamiek en daarin is niet veel veranderd. Wie nu gaat kijken bij Google en dat vergelijkt met een wat ouderwetsere organisatie als Microsoft zal het gelijk opvallen dat de structuur veel minder hiërarchisch is. John Ibbitson beweert zelfs dat getalenteerde twintigers tegenwoordig van hun werkgever eisen dat ze overal over kunnen meepraten.

En die trend wordt alleen maar versterkt door technologie die organiseren makkelijk maakt. Waarom zou je lid worden van een politieke organisatie als deze niet al jouw punten onderschrijft? Waarom kan je niet alleen jouw onderwerp steunen, door eenvoudig lid te worden van een groep die zich inzet voor een klein onderwerp? De dames en heren van GeenPeil verzamelden in korte tijd meer steun voor een referendum over het associatieverdrag met Oekraïne dan alle politieke partijen samen leden hebben. Quinsy Gario en Kno’ledge Cesare startten een kritische beweging over Zwarte Piet in los-vast-verband en houden al jaren de gemoederen bezig.

Als je deze trend doortrekt zullen we in de toekomst vaker zien dat mensen zich in “politieke flashmob” gaan verenigen. Relatief losse verbanden, steunend op de verenigende mogelijkheden van het Internet, die verenigd zijn rond onderwerpen die zij belangrijk vinden en het daarna helemaal niet eens hoeven te zijn over andere onderwerpen. Die zaken die daarbij belangrijk zijn, zoals mediagevoeligheid en verspreidbaardheid van de boodschap, maar ook het sociale netwerk waar de boodschap in verspreid wordt zijn snel een belangrijkere positie aan het innemen ten opzichte van de meer traditionelere spelers.

Openstreetmaps and the crowd

About two weeks ago Serge Wroclawski (ex-hacker, Free Culture Advocate) wrote a cool article about ‘Why the World needs OpenStreetMap‘, which quickly found it’s way to other media, such as the Guardian onder andere overgenomen door de Guardian.  

In the article he states his case for a freely available worldmap for and by the people. He explains quite convincingly the use of an independent source for a map. A map which we could not only promote to a standard, but of which we could safely assume that it would be value and interest-neutral.

Serge scores points on the instrumental side of things, but  on the emotional level things also seem to add up; time and or space should not be privatized, as the author underlines with a parallel with the time standardization efforts of the late 1800’s.

The OpenStreetMap Foundation is a British organisation working on precisely such a map. Founded as a not-for-profit organization in 2006, some time after the first steps in the map project itself, the foundation relies on volunteers and donations to complete its difficult task. Not unlike Wikipedia, it enables outsiders to fill in some of the map with their information or to update information that is already in place. The open and transparent approach is very compatible with the independent and neutral character of the project.

 The parallels between Wikipedia and OSM,  the shorthand name for the project, aren’t a total coincidence.  As the latter project was inspired by the first. But if we were to zoom in a little further on the comparison some differences become obvious. It would be a little superfluous to write about the use of Wikipedia nowadays for one, or the need to help the project meet a wider audience. The many private competitors that Serge refers to in the article are a challenge for Wikipedia no more. This while Wikipedia had faced and challenged many prejudices about a knowledge base crafted and maintained by the crowd, paving a way for newer initiatives like this one. Where Wikipedia relies heavily on individuals, OSM has received large data contribution by 3rd parties such as Yahoo or governments.

This author thinks that OSM could take of in a bigger way, if we manage to clear some sand out of it’s gears and engineer it to sell itself. Serge seems to be looking at the applications of the maps. The web version of Bing is easy to use or look at, Apple Maps ships with every iPhone and Google Maps is king of the data mashup. Whereas, OSM is a little rough around the edges, it lacks a decent app and mashups are being made in dribs and drabs (feel free here to take a look at my implementation of the Dutch cyclist associations issue reporting system.

I’m not totally convinced that this is right button to push. Wikipedia had to tackle scores of encyclopedia’s, with the Britannica as it’s ultimate champion, sans CD-roms (yes way back then), print edition or a great design (individual results may vary with taste). I say: Content is King. You are not using a map that is less incomplete or outdated as long as the competition is free. And this content can be King only if OSM manages to engage the user to become a contributor.

 Two challenges lie ahead: OSM isn’t stupidly simple to contribute to and it offers you, the user, no reason to contribute, aside from an abstract feeling of doing good. You can only motivate people that much wielding the common good, and less if it is an abstract goal and no one’s keeping score. OSM should define its goals and progress way more clearly and should give before it takes. Wikipedia gave you your thesis, OSM gives us a map we already have for free.

Of course OSM gives us something that private parties can’t: Control over the map, but it fails to bring that close to us. How can it be that Google is now marketing that you can add your own places, while OSM is the only one that could deliver here. I think that there are thousands of people that would benefit directly from adding themselves to the map (shopkeepers for one). And there should be loads of other applications to think of but it starts by connecting to the user.